for my friends who are no longer here.

 

 

For my friends

who are no longer here

I write words that seem meaningless

touch skins that are not yours

the laughter in a bar I hear

belongs to other people

from grinning teeth of dreadful bores

I want to hit those in the face

who say let Nature take it ’s course

should I fill the hole in my heart

with memories photographs

or music you loved

what good will it do

you are not here to listen to it with me

the record lingers in my hands

but I haven’t a clue

how I wish that time kept you here

so we could swim and drink wine

and see the sunrise so clear

I ask why but there is no answer, my dear

it is unbearable to not have you around

my friends who are no longer here

love felt by a hole in my heart

distant

yet

so

profound

Advertenties

Why and when

where and when, do not let me know

when I will meet my love the earth could be kissing leaves

or hug the snow

why and whom do not tell me yet

when my love will leave my heart will be sore

and my cheeks will be wet

Met peper en zuur graag, oja, en get over it, het is 400 jaar geleden

Een verrtrrtrtrtrtrtrtan de eerste zaken die me opvalt in het racisme-debat, weer hevig aangewakkerd door Sylvanagate, is het gebrek aan nuance. En daaruit volgt dan meteen de vraag; is er in zo’n soortgelijk debat wel nuance mogelijk? Het lijkt wel alsof je aan één kant moet staan van de lijn, voor of tegen. Onlangs ontving ik een uitnodiging om  Keti Koti bij te wonen, waarbij wordt herdacht dat er een einde kwam aan de slavernij in Suriname op 1 juli 1863. Mijn eerste reactie was “O gezellig multiculti, bara’s eten dansen op bigi poku!” Behalve dat Keti Koti daar totaal niet over gaat, was die gedachte was maar van erg korte duur. Het debat over racisme, waar ik op 11- jarige leeftijd al mee bezig was toen ik mijn dorp een krantje verspreidde en waarvan ik samen met twee klasgenootjes de redactie deed, (“Samen Sterk”) heeft mij een naar gevoel gegeven. Een heel naar gevoel. Het gevoel dat ik niet echt welkom ben, en een cultuur wil “ownen” die niet de mijne is. Dat ik kom kijken, eten, dansen in een sfeer waar ik niks mee te maken mag hebben want het is leentje-buur spelen. Ik zag mezelf niet als deelnemer maar als publiek tijdens Keti Koti. Als pottenkijker, als hypocriet. Zo heb ik me nooit gevoeld tijdens een festival of evenement waarbij respect aan de herinnering, en blijdschap over afschaffing en het delen in die vreugde centraal staan. En toch..denk ik niet dat ik wil gaan. Ik zou me er niet senang voelen. Wie zegt namelijk dat niet één van mijn voorvaderen een plantage-houder, slavendrijver of andere uitzuiger was? Ik weet niet eens meer zeker of dat mijn “witte” onzekerheid is, of dat dit komt door het denken in uitersten. En wat zou het als je jezelf eens in een groter historisch kader plaatst. Als je eventjes probeert te doen alsof je zélf een slavendrijver of plantagehouder was. Het enige wat die link bewerkstelligt is dan een huidskleur die je met zo’n gedrocht gemeenschappelijk hebt. Zo éen met een vieze dikke buik en een zweep die liep te sissen naar zijn slaven. En als ik dit  even doortrek en het blijkt na grondig DNA-onderzoek dat er wel degelijk zulk bloed door mijn aderen stroomt, wat dan? Ja ja en dan ga ik zeker lekker mijn kont schudden en een dawet wegtikken op Kwakoe? En wat doe ik dan als bakra op zo’n festival? “Ze koken zo lekker” (“Ze” ) , “Ze dansen zo leuk”, ik denk niet zo…Maar dan word ik wel bang dat ik zo gezien kan worden. Dat ik van het Kruidvat een kortingsbon gekregen heb om te kijken naar het Multi Culturele Zintuiglijke Genot Circus. Ik schaam me er niet voor om te zeggen dat ik me daarvoor schaam, dat ik zelfs ook maar een fractie van een seconde bij mensen die indruk zou kunnen wekken. Want ik ben toch zo integer en politiek correct? Toch!? Of …. Tegelijkertijd kan ik daar verschrikkelijk kwaad om worden. Want los van mijn huidskleur of die van mijn vrienden, los van onze geloofsovertuiging of geaardheid, heb ik het erg naar mijn zin als ik daar rondloop en mij een trotse inwoner voel van Amsterdam. Een “samen” gevoel. Alleen, de laatste jaren durf ik bijna geen uitspraken meer te doen, omdat ik bang ben dat iemand me een racist vindt. Als ik hou van een bepaalde cultuur, huidskleur, eten moet ik me  daarvoor verantwoorden en verontschuldigen omdat het wit opportunisme is? Of is dat wit opportunisme omdat het door anderen zo wordt ervaren ? En als dat door anderen zo wordt ervaren wie ben ik dan om die ervaring in twijfel te trekken? Zoveel mensen gaan op hun achterste poten staan als het gaat over slavernij, racisme en discriminatie. Omdat men zich in het nauw gedreven voelt. Daarom. Als je je niets een voorstelling hebt gemaakt van hoe zoiets zou kunnen voelen. Als je weet dat anderen eigenlijk gelijk hebben en je dat niet wilt toegeven. Zelfs al plaats je het in een groter historisch kader. Zelfs al zie je het in een perspectief wat normaliter niet het jouwe is. Voor veel mensen is het namelijk wel handig om de verhoudingen te houden zoals ze zijn. Daarom werken kinderen in Azië nog steeds in sweatshops en dragen wij de door hun dag en nacht in elkaar gezette joggingbroeken. Daarom verdienen vrouwen nog steeds minder dan mannen. Daarom worden in sommige landen nog elke dag homo’s in elkaar geslagen. Daarom gooien mannen in sommige landen benzine in het gezicht van hun vrouw. Daarom bagatelliseren veel mensen nog het aantal verraders in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.

 

Op de middelbare school was ik al verbaasd over het feit dat er twee bladzijden werden besteed aan Suriname, de Antillen en vier (WOW, vier!) aan Indonesië. Ja, want dát vinden we natuurlijk niet zo fijn hé? Wat de white oppressor daar uitgevreten heeft. Want behalve politieke, sociale en historische factoren mogen we toch niet ontkennen dat het hier gaat om een grote collectieve pijn. Deze pijn wordt erg makkelijk weggewuifd door een groot deel van de witte medemens. “Get over it, het is 400 jaar geleden, oja wel met peper en zuur graag”. Waarom vinden zovelen het moeilijk om te begrijpen dat er veel frustratie, woede, verdriet en pijn is ? Zonder een oordeel te vellen over het leven in het verleden, of mevrouw  Simons virtueel te lynchen, is het stilstaan bij het begrijpen van dat gevoel toch niet zoveel gevraagd? Ik vind mevrouw Simons  erg boos. Niet altijd even genuanceerd of redelijk. Ik weet niet of ze op de juiste manier politiek en entertainment mixt en wel lang genoeg nadenkt over haar uitspraken. Echter, ik kan wel begrijpen waar haar verdriet, pijn en woede vandaan komt denk ik. Ik ken eigenlijk niemand die het leuk vindt om onderdrukt te worden. U wel ? Ik weet niet of het gaat om schadevergoeding. Ik weet niet of het gaat om in mijn DNA te duiken en uit te zoeken of mijn overgrootvader een plantagehouder was. Ik denk dat het wél gaat om BEGRIJPEN.  Dat ijkt mij geen moeilijke opgave. En, misschien, heel misschien gaat van dat begrip een  wat soberder, nederiger en rustigere houding ten opzichte van de pijn en het verdriet van heel veel mensen uit.