Met peper en zuur graag, oja, en get over it, het is 400 jaar geleden

Een verrtrrtrtrtrtrtrtan de eerste zaken die me opvalt in het racisme-debat, weer hevig aangewakkerd door Sylvanagate, is het gebrek aan nuance. En daaruit volgt dan meteen de vraag; is er in zo’n soortgelijk debat wel nuance mogelijk? Het lijkt wel alsof je aan één kant moet staan van de lijn, voor of tegen. Onlangs ontving ik een uitnodiging om  Keti Koti bij te wonen, waarbij wordt herdacht dat er een einde kwam aan de slavernij in Suriname op 1 juli 1863. Mijn eerste reactie was “O gezellig multiculti, bara’s eten dansen op bigi poku!” Behalve dat Keti Koti daar totaal niet over gaat, was die gedachte was maar van erg korte duur. Het debat over racisme, waar ik op 11- jarige leeftijd al mee bezig was toen ik mijn dorp een krantje verspreidde en waarvan ik samen met twee klasgenootjes de redactie deed, (“Samen Sterk”) heeft mij een naar gevoel gegeven. Een heel naar gevoel. Het gevoel dat ik niet echt welkom ben, en een cultuur wil “ownen” die niet de mijne is. Dat ik kom kijken, eten, dansen in een sfeer waar ik niks mee te maken mag hebben want het is leentje-buur spelen. Ik zag mezelf niet als deelnemer maar als publiek tijdens Keti Koti. Als pottenkijker, als hypocriet. Zo heb ik me nooit gevoeld tijdens een festival of evenement waarbij respect aan de herinnering, en blijdschap over afschaffing en het delen in die vreugde centraal staan. En toch..denk ik niet dat ik wil gaan. Ik zou me er niet senang voelen. Wie zegt namelijk dat niet één van mijn voorvaderen een plantage-houder, slavendrijver of andere uitzuiger was? Ik weet niet eens meer zeker of dat mijn “witte” onzekerheid is, of dat dit komt door het denken in uitersten. En wat zou het als je jezelf eens in een groter historisch kader plaatst. Als je eventjes probeert te doen alsof je zélf een slavendrijver of plantagehouder was. Het enige wat die link bewerkstelligt is dan een huidskleur die je met zo’n gedrocht gemeenschappelijk hebt. Zo éen met een vieze dikke buik en een zweep die liep te sissen naar zijn slaven. En als ik dit  even doortrek en het blijkt na grondig DNA-onderzoek dat er wel degelijk zulk bloed door mijn aderen stroomt, wat dan? Ja ja en dan ga ik zeker lekker mijn kont schudden en een dawet wegtikken op Kwakoe? En wat doe ik dan als bakra op zo’n festival? “Ze koken zo lekker” (“Ze” ) , “Ze dansen zo leuk”, ik denk niet zo…Maar dan word ik wel bang dat ik zo gezien kan worden. Dat ik van het Kruidvat een kortingsbon gekregen heb om te kijken naar het Multi Culturele Zintuiglijke Genot Circus. Ik schaam me er niet voor om te zeggen dat ik me daarvoor schaam, dat ik zelfs ook maar een fractie van een seconde bij mensen die indruk zou kunnen wekken. Want ik ben toch zo integer en politiek correct? Toch!? Of …. Tegelijkertijd kan ik daar verschrikkelijk kwaad om worden. Want los van mijn huidskleur of die van mijn vrienden, los van onze geloofsovertuiging of geaardheid, heb ik het erg naar mijn zin als ik daar rondloop en mij een trotse inwoner voel van Amsterdam. Een “samen” gevoel. Alleen, de laatste jaren durf ik bijna geen uitspraken meer te doen, omdat ik bang ben dat iemand me een racist vindt. Als ik hou van een bepaalde cultuur, huidskleur, eten moet ik me  daarvoor verantwoorden en verontschuldigen omdat het wit opportunisme is? Of is dat wit opportunisme omdat het door anderen zo wordt ervaren ? En als dat door anderen zo wordt ervaren wie ben ik dan om die ervaring in twijfel te trekken? Zoveel mensen gaan op hun achterste poten staan als het gaat over slavernij, racisme en discriminatie. Omdat men zich in het nauw gedreven voelt. Daarom. Als je je niets een voorstelling hebt gemaakt van hoe zoiets zou kunnen voelen. Als je weet dat anderen eigenlijk gelijk hebben en je dat niet wilt toegeven. Zelfs al plaats je het in een groter historisch kader. Zelfs al zie je het in een perspectief wat normaliter niet het jouwe is. Voor veel mensen is het namelijk wel handig om de verhoudingen te houden zoals ze zijn. Daarom werken kinderen in Azië nog steeds in sweatshops en dragen wij de door hun dag en nacht in elkaar gezette joggingbroeken. Daarom verdienen vrouwen nog steeds minder dan mannen. Daarom worden in sommige landen nog elke dag homo’s in elkaar geslagen. Daarom gooien mannen in sommige landen benzine in het gezicht van hun vrouw. Daarom bagatelliseren veel mensen nog het aantal verraders in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.

 

Op de middelbare school was ik al verbaasd over het feit dat er twee bladzijden werden besteed aan Suriname, de Antillen en vier (WOW, vier!) aan Indonesië. Ja, want dát vinden we natuurlijk niet zo fijn hé? Wat de white oppressor daar uitgevreten heeft. Want behalve politieke, sociale en historische factoren mogen we toch niet ontkennen dat het hier gaat om een grote collectieve pijn. Deze pijn wordt erg makkelijk weggewuifd door een groot deel van de witte medemens. “Get over it, het is 400 jaar geleden, oja wel met peper en zuur graag”. Waarom vinden zovelen het moeilijk om te begrijpen dat er veel frustratie, woede, verdriet en pijn is ? Zonder een oordeel te vellen over het leven in het verleden, of mevrouw  Simons virtueel te lynchen, is het stilstaan bij het begrijpen van dat gevoel toch niet zoveel gevraagd? Ik vind mevrouw Simons  erg boos. Niet altijd even genuanceerd of redelijk. Ik weet niet of ze op de juiste manier politiek en entertainment mixt en wel lang genoeg nadenkt over haar uitspraken. Echter, ik kan wel begrijpen waar haar verdriet, pijn en woede vandaan komt denk ik. Ik ken eigenlijk niemand die het leuk vindt om onderdrukt te worden. U wel ? Ik weet niet of het gaat om schadevergoeding. Ik weet niet of het gaat om in mijn DNA te duiken en uit te zoeken of mijn overgrootvader een plantagehouder was. Ik denk dat het wél gaat om BEGRIJPEN.  Dat ijkt mij geen moeilijke opgave. En, misschien, heel misschien gaat van dat begrip een  wat soberder, nederiger en rustigere houding ten opzichte van de pijn en het verdriet van heel veel mensen uit.

Debussy – The Father of Jazz

sforzandosalon

So, as y’all know, this year Sforzando is celebrating the life and work of the great Achille-Claude Debussy, who was born, near Paris, 150 years ago. 

We all know Debussy as the genius behind musical Impressionism (though he loathed that particular tag), with its foggy musical imagery, but his influence on jazz and his relationship with its precursors are less well known.  So we give you the (potted) story of how Debussy created jazz.   

As a definable musical genre jazz was born in around 1917 just before Debussy’s death.  In essence it’s a musical language that emerged from west African dance music – with its syncopated rhythms and European popular music  of the early 1900s, amongst other things.

 One of its precursors was ragtime, so-called for its ragged, syncopated rhythms, was invented by Ernest Hogan in the late 19th century and fused African dance music with the marches of…

View original post 719 woorden meer

MEEUWEN

Verwachtingen vliegen hoog en snel boven mijn hoofd als meeuwen over de zee de lucht is donker grijs bijna zwart hier en daar paars ze schreeuwen het klinkt schel en hard. ik kan ze niet bereiken, maar ik blijf er naar kijken. Zo ver weg zijn ze niet ,lijkt het maar dat optisch bedrog. ze zijn eigenlijk heel ver weg, en vee lte hoog, ik kan er niet bij. Het onrustige en snelle fascineert me, de rustvan de branding en de aardsheid van de zandkorrels is even fijn en prettig maar na een tijd wil ik rennen, zwemmen, vliegen, net als de meeuwen scheren over het strand. Is dat mijn eigen mindfuck? Kan ik op het strand blijven zitten en de korrels voelen in mijn handpalm en de zilte lucht opsnuiven. Ja dat kan. Wil ik dat. Ik weet het niet. Een onrust is een soort gewoonte geworden, net zo’n gewoonte als kijken naar een draaiende wastrommel of de dwangneurose om naar het centrale plekje te kijken op iemand’s nek als ik achter ze sta in de rij bij de supermarkt, of in de zomer, achter ze fiets. Is een gewoonte een van de moeilijkste dingen om af te leren? Ik denk het wel. Ik weet het eigenlijk wel zeker. Een cliché wat veiligheid en troost biedt, ook al is het meestal niet zo heel erg goed voor je. Maar wat als je de gewoonte doorbreekt of je leert hem af? Zijn we niet zo geconditioneerd dat we ons zelf dan meteen weer een nieuwe gewoonte aanleren? En waar staat dat die goed of slecht is? De meeuwen zijn lekker luidruchtig. Er is lucht, water, hun sterke en stoere vleugels en hun kijvende geluiden. De elementen omringen hen als zuurstof om ons heen. Ik doe mijn ogen dicht en leun een beetje naar achteren en begraaf mijn handen diep in het zand, en leun nog wat verder achter over, zodat het lijkt alsof ik weg zak een beetje in het strand, in het zand, in het aardse. Er komt iemand langs die het over een makelaar heeft. Een meisje wat mobiel aan het bellen is. Gillende kinderen. De geluiden ervaar ik als pijlen uit een boog of kogels uit een pistool. Nog een poging dan maar. Ik doe mijn ogen weer dicht en ga nu achter over liggen in het zand. Ik dwing mezelf bijna om me te focussen op het geluid van de zee, de golven, het water. De andere geluiden hoor ik nog wel, maar op den duur wordt het minder. Het begint harder te waaien. De meeste mensen draaien zich om en gaan richting auto, friteskraam of warme chocolademelk (al dan wel met of zonder slagroom). Ik haal nog een keer diep adem en negeer de dorst en honger en loop in de storm naar IJmuiden. Het is vijf uur als ik in de lege bus neerplof. Ik was even alleen met de elementen. Er was bijna niemand. Daar ben ik dankbaar voor. De buschauffeur, een oudere, denk Surinaamse of Antilliaanse man, kijkt me lachend aan. “Hee man, lekker gewandeld?” De dag begon in twijfel en eindigde in dankbaarheid.

The Vault: Ruth Rendell’s sequel to A Sight for Sore Eyes

Books to the Ceiling

  A Sight for Sore Eyes came out in 1999. It is a novel of psychological suspense, not a police procedural – Reg Wexford does not appear in the narrative. Sight features one of the most genuinely frightening characters I’ve ever encountered in a work of fiction. In the more than ten years since I read it, I have not forgotten his name: Teddy Brex.

  The Vault opens with Franklin Merton commenting that although he could afford to buy a particular house, he could not afford to purchase a painting of it. The painting he’s referring to is entitled Marc and Harriet in Orcadia Place. The painter was Simon Alpheton, an artist of considerable note at the time, that time being 1973.

A Sight for Sore Eyes opens with Simon Alpheton in the act of painting Marc Syre, star of the rock band Come Hither, and his girlfriend…

View original post 721 woorden meer