De vergeten bloem en de buik van de verliefde vlinder

Lang,lang geleden in een land hier ver vandaan leefde eens een jonge koningin. Ze was rijk, intelligent en beeldschoon. De Goden waren haar echter niet alleen gunstig gestemd. Ze was ook jaloers, ijdel en afstandelijk.

De koningin woonde in een gigantisch kasteel, wat omringd werd tot in de verste verten door landerijen, velden, kanalen en dorpen. Zij hoorden haar allen toe. Voor de dood van haar gemaal hadden hij en de koningin een heel bijzondere tuin laten aanleggen binnen de muren van het kasteel. Er bloeiden alleen uitheemse bloemen en planten. Er vlogen de meest exotische vogels rond en op de aarde krioelden de meest bizar gekleurde salamanders en kevers. De koningin had altijd met enige spot toegekeken hoe haar echtgenoot zich om de tuin bekommerde en hoeveel tijd hij er in stak. Op zijn strengste instructies zorgde nu de koninklijke tuinman voor de tuin , opdat deze niet verloren zou gaan. De koningin bezocht de tuin nauwelijks. De felgkleurde flora en fauna was niet aan haar besteed.

Na jaren van oorlog met het naburige Groothertogdom sloot de koningin vrede. Alle gevangen werden vrijgelaten en de wapens werden verbrand. Op haar uitnodiging kwam de Groothertog zelf op bezoek om een groot feest bij te wonen om te vrede te vieren.

De Groothertog was altijd zeer innig bevriend geweest met de overleden koning en hij wist van zijn voorliefde voor exotische planten ,bloemen en dieren. Hij had een prachtige verzameling vlinders meegenomen van een van zijn reizen naar de Nieuwe Wereld. Tijdens het feestbanket werd er eerst een net opgetakeld en daarna geopend en honderden vlinders fladderden alle kanten uit. Ze hadden vleugels van paarlemoer en diamant, zo schitterend en ze gaven een zoete,bedwelmende geur af. De gasten van de koningin slaakten kreten van bewondering. De avond was een groot succes. De koningin sloeg de knappe, innemende Groothertog eens beter gade. Bij nader inzien was hij razend knap. Zijn aanvankelijke bravoure interpreteerde ze nu als trots en zijn gekrulde lip niet langer als minachting , maar sensueel. Na een aantal dagen van feesten begaf zij zich op een zwoele avond naar de gastvertrekken van de Groothertog. Zij verliet deze pas laat de volgende dag. De tijd verstreek en inmiddels was de romance tussen de Koningin en de groothertog geen geheim meer. Hun onderdanen vroegen zich af, hoe het ooit mogelijk was geweest dat deze twee landen zo lang op vijandige voet met elkaar hadden geleefd. Op een ochtend, bij het ontwaken, werd de Groothertog wakker van een licht gefladder tegen zijn huid. Het was de prachtigste vlinder die hij ooit had gezien. Zijn vleugels glansden als satijn en zijn bewegingen waren nog sierlijker dan die van de beste balletdanseres. ‘Lieve groothertog sprak de vlinder, ‘ik bewonder u al weken. U bent zo een mooie Groothertog, mag ik even op uw wang zitten?’ De Groothertog was ontroerd door de opmerking van de vlinder en knikte. ‘Natuurlijk lieve vlinder , dat mag’. De dagen die daarop volgden week de vlinder geen moment van zijn zijde. De Groothertog had hem zelfs vernoemd naar Obispo, zijn beste schutter. Tijdens de wandelingen, toernooien, jachtpartijen maar ook ’s nachts tijdens het minnekozen, de vlinder was er altijd. Het begon de koningin behoorlijk te irriteren. Zij wilde de onverdeelde aandacht van de Groothertog. In al zijn verliefde blindheid en goedertierenheid had hij geen erg in de jaloezie van zijn gemalin. Integendeel, de vlammen van zijn hartstocht laaiden hoger en hoger op en omdat nog eens kracht bij te zetten, stuurde hij een bode om de meest unieke, grootste uitbundig gekleurde en zeldzaamste bloem ter wereld te zoeken. Deze wilde hij schenken aan de koningin als bewijs van zijn liefde. ‘Winters en zomers, lentes en herfsten,ga de wereld rond en breng mij de bloem die de koningin overtuigt van de hoeveelheid liefde de ik voor haar koester!’

En zo geschiedde. De bode reisde jaren lang de wereld af. In zijn afwezigheid liepen de spanningen aan het Hof hoog op. De vlinder die verliefd was op de Groothertog was een doorn in het oog van de koningin. Ze verloor langzaam haar schoonheid en haar verstand omdat ze verteerd werd door jaloezie. Op een nacht hulde zij zich in vodden en ging in het Woud van de Hoge Sparren op zoek naar de stulp van de tovenaar, Kazkadenk. Kazkadenk was tevens een edelsmid, wetenschapper en filosoof. Van onder haar armoedige mantel haalde koningin een glazen kooi tevoorschijn. Obispo fladderde er in paniek heen en weer. Ze sprak streng tot Kazkadenk. ‘Vermoord deze vlinder en maak van zijn buik een oogverblindende ring. Die ring breng je me morgen voordat de vogels zingen en de zon lacht’ . De tovenaar knikte nederig en volbracht zijn taak.

De volgende avond, tijdens het diner, stond de koningin langzaam op uit haar zetel en liep naar de andere kant van de tafel. Ze zette een klein gouden kistje neer voor de Groothertog. ‘Voor jou, mijn lief’, fluisterde ze. Enkele seconden verstreken en de Groothertog die minuten, uren, en dagen met Obispo had doorgebracht herkende de buik van de vlinder in een oogwenk, gelijk een amethyst gedrenkt in vloeibaar fluweel. Geschrokken stond hij op waarbij zijn zetel omviel. Hij werd lijkbleek. ‘Maar..dat is…’ De koningin genoot van de uitwerking van haar snode plan. ‘Wel? Wat moest ik doen? Je gaf de voorkeur aan een fladderend schepsel boven mij!’ Ontroostbaar en wenend stormde de Groothertog de eetzaal uit. Hij gaf zijn stalknechten opdracht zijn paard te zadelen, en tevens die van zijn dienaren. Even later galoppeerden zij de ophaalbrug af, de duisternis in.

Nu er geen Groothertog meer was om lief te hebben, noch een vlinder om te haten vond de koningin in geen enkele emotie of bezigheid nog tevredenheid. Ze had geen eetlust meer en keek niet meer in de spiegel. Verdwaasd en vermagerd liep ze door de gangen van het enorme kasteel en krabde haar diensters toen deze probeerden haar te behagen.

Op een dag verscheen de bode. Hij was eindelijk terug van zijn vele omzwervingen. Hij opende een massieve zilveren kist waarin de mooiste bloem lag , die je ooit hebt gezien. Hij rook heerlijk, naar de zoute zeedruppels op lichamen die lang in de zon hebben gelegen, naar duizenden buikdanseressen die hebben gebaad in sandelhout en wier sluiers omhoog kringelen de woestijnnacht in. De kleuren overtroffen die van de kostbaarste edelstenen en zijn bladeren leken gemaakt van ragfijn spinneweb glimmend als damast.

De koningin wierp snel een blik in de kist en gaf de bode een kort knikje. Toen begaf ze zich naar de kleinste en hoogste torenkamer. Daar sloot ze zich op. Pogingen haar te overtuigen om naar buiten te komen mislukten. Uitendeijk gaf het personeel het op. Men vergat de koningin die ooit intelligent , beeldschoon en rijk was. De bloem bleef in zijn zilveren kist liggen.

En ook die vergat men.

Advertenties

ferdinand.

het was niet een nummer waar wij iets mee hadden. het kwam langs in een lijstje in Spotify wat ik had gemaakt voor het sporten. Rain van Kerri Chandler. Een man had flirtend geglimlacht naar me en stond later op zijn hoofd. Ik wilde met mijn oefeningen verder gaan maar kon het niet meer tegenhouden. Ik zag hem dansen in de regen en lachen. Dat was een keer met Pride of Koninginnedag. Ik herinner zijn rollende ogen als ik weer een keer een verhaal over een mislukte date vertelde en zijn meelevende lieve lach terwijl hij met zijn elegante Aubrey Beardsley-esque vingers een sigaret uit het pakje haalde. Ik denk aan alle brieven en kaarten uit de KPN-tijd die hij me heeft gestuurd. Ik was de Duchess, hij de Marquis. Het wordt drukker in de sportschool en de muziek wordt harder gezet. Ik kan niet ontsnappen aan de herinnering en het gemis. Er is een stoel tegenover de behandelkamer van de fysiotherapeut vrij. Voor zover dat mogelijk is voor iemand van bijna 2 meter probeer ik me zo klein mogelijk te maken. De tranen zijn er al lang. Je komt nu eenmaal niet vaak iemand tegen in het leven die je zo goed begrijpt. Iemand die je bijna niets uit hoeft te leggen. ‘Een plekje geven ‘ en ‘accepteren’ zijn holle frasen. Dat gemis gaat nooit meer weg. Ik zou willen dat ik het vooruitzicht had  ’s avonds bij hem langs te gaan, de magnetron-rozemarijn albert heijn maaltijd te nuttigen,  een fles rode biologische wijn soldaat te maken, en hem stevig vast te houden voordat ik de terug zou keren in de regen naar de da Costastraat.

for my friends who are no longer here.

 

 

For my friends

who are no longer here

I write words that seem meaningless

touch skins that are not yours

the laughter in a bar I hear

belongs to other people

from grinning teeth of dreadful bores

I want to hit those in the face

who say let Nature take it ’s course

should I fill the hole in my heart

with memories photographs

or music you loved

what good will it do

you are not here to listen to it with me

the record lingers in my hands

but I haven’t a clue

how I wish that time kept you here

so we could swim and drink wine

and see the sunrise so clear

I ask why but there is no answer, my dear

it is unbearable to not have you around

my friends who are no longer here

love felt by a hole in my heart

distant

yet

so

profound

Why and when

where and when, do not let me know

when I will meet my love the earth could be kissing leaves

or hug the snow

why and whom do not tell me yet

when my love will leave my heart will be sore

and my cheeks will be wet

Met peper en zuur graag, oja, en get over it, het is 400 jaar geleden

Een verrtrrtrtrtrtrtrtan de eerste zaken die me opvalt in het racisme-debat, weer hevig aangewakkerd door Sylvanagate, is het gebrek aan nuance. En daaruit volgt dan meteen de vraag; is er in zo’n soortgelijk debat wel nuance mogelijk? Het lijkt wel alsof je aan één kant moet staan van de lijn, voor of tegen. Onlangs ontving ik een uitnodiging om  Keti Koti bij te wonen, waarbij wordt herdacht dat er een einde kwam aan de slavernij in Suriname op 1 juli 1863. Mijn eerste reactie was “O gezellig multiculti, bara’s eten dansen op bigi poku!” Behalve dat Keti Koti daar totaal niet over gaat, was die gedachte was maar van erg korte duur. Het debat over racisme, waar ik op 11- jarige leeftijd al mee bezig was toen ik mijn dorp een krantje verspreidde en waarvan ik samen met twee klasgenootjes de redactie deed, (“Samen Sterk”) heeft mij een naar gevoel gegeven. Een heel naar gevoel. Het gevoel dat ik niet echt welkom ben, en een cultuur wil “ownen” die niet de mijne is. Dat ik kom kijken, eten, dansen in een sfeer waar ik niks mee te maken mag hebben want het is leentje-buur spelen. Ik zag mezelf niet als deelnemer maar als publiek tijdens Keti Koti. Als pottenkijker, als hypocriet. Zo heb ik me nooit gevoeld tijdens een festival of evenement waarbij respect aan de herinnering, en blijdschap over afschaffing en het delen in die vreugde centraal staan. En toch..denk ik niet dat ik wil gaan. Ik zou me er niet senang voelen. Wie zegt namelijk dat niet één van mijn voorvaderen een plantage-houder, slavendrijver of andere uitzuiger was? Ik weet niet eens meer zeker of dat mijn “witte” onzekerheid is, of dat dit komt door het denken in uitersten. En wat zou het als je jezelf eens in een groter historisch kader plaatst. Als je eventjes probeert te doen alsof je zélf een slavendrijver of plantagehouder was. Het enige wat die link bewerkstelligt is dan een huidskleur die je met zo’n gedrocht gemeenschappelijk hebt. Zo éen met een vieze dikke buik en een zweep die liep te sissen naar zijn slaven. En als ik dit  even doortrek en het blijkt na grondig DNA-onderzoek dat er wel degelijk zulk bloed door mijn aderen stroomt, wat dan? Ja ja en dan ga ik zeker lekker mijn kont schudden en een dawet wegtikken op Kwakoe? En wat doe ik dan als bakra op zo’n festival? “Ze koken zo lekker” (“Ze” ) , “Ze dansen zo leuk”, ik denk niet zo…Maar dan word ik wel bang dat ik zo gezien kan worden. Dat ik van het Kruidvat een kortingsbon gekregen heb om te kijken naar het Multi Culturele Zintuiglijke Genot Circus. Ik schaam me er niet voor om te zeggen dat ik me daarvoor schaam, dat ik zelfs ook maar een fractie van een seconde bij mensen die indruk zou kunnen wekken. Want ik ben toch zo integer en politiek correct? Toch!? Of …. Tegelijkertijd kan ik daar verschrikkelijk kwaad om worden. Want los van mijn huidskleur of die van mijn vrienden, los van onze geloofsovertuiging of geaardheid, heb ik het erg naar mijn zin als ik daar rondloop en mij een trotse inwoner voel van Amsterdam. Een “samen” gevoel. Alleen, de laatste jaren durf ik bijna geen uitspraken meer te doen, omdat ik bang ben dat iemand me een racist vindt. Als ik hou van een bepaalde cultuur, huidskleur, eten moet ik me  daarvoor verantwoorden en verontschuldigen omdat het wit opportunisme is? Of is dat wit opportunisme omdat het door anderen zo wordt ervaren ? En als dat door anderen zo wordt ervaren wie ben ik dan om die ervaring in twijfel te trekken? Zoveel mensen gaan op hun achterste poten staan als het gaat over slavernij, racisme en discriminatie. Omdat men zich in het nauw gedreven voelt. Daarom. Als je je niets een voorstelling hebt gemaakt van hoe zoiets zou kunnen voelen. Als je weet dat anderen eigenlijk gelijk hebben en je dat niet wilt toegeven. Zelfs al plaats je het in een groter historisch kader. Zelfs al zie je het in een perspectief wat normaliter niet het jouwe is. Voor veel mensen is het namelijk wel handig om de verhoudingen te houden zoals ze zijn. Daarom werken kinderen in Azië nog steeds in sweatshops en dragen wij de door hun dag en nacht in elkaar gezette joggingbroeken. Daarom verdienen vrouwen nog steeds minder dan mannen. Daarom worden in sommige landen nog elke dag homo’s in elkaar geslagen. Daarom gooien mannen in sommige landen benzine in het gezicht van hun vrouw. Daarom bagatelliseren veel mensen nog het aantal verraders in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.

 

Op de middelbare school was ik al verbaasd over het feit dat er twee bladzijden werden besteed aan Suriname, de Antillen en vier (WOW, vier!) aan Indonesië. Ja, want dát vinden we natuurlijk niet zo fijn hé? Wat de white oppressor daar uitgevreten heeft. Want behalve politieke, sociale en historische factoren mogen we toch niet ontkennen dat het hier gaat om een grote collectieve pijn. Deze pijn wordt erg makkelijk weggewuifd door een groot deel van de witte medemens. “Get over it, het is 400 jaar geleden, oja wel met peper en zuur graag”. Waarom vinden zovelen het moeilijk om te begrijpen dat er veel frustratie, woede, verdriet en pijn is ? Zonder een oordeel te vellen over het leven in het verleden, of mevrouw  Simons virtueel te lynchen, is het stilstaan bij het begrijpen van dat gevoel toch niet zoveel gevraagd? Ik vind mevrouw Simons  erg boos. Niet altijd even genuanceerd of redelijk. Ik weet niet of ze op de juiste manier politiek en entertainment mixt en wel lang genoeg nadenkt over haar uitspraken. Echter, ik kan wel begrijpen waar haar verdriet, pijn en woede vandaan komt denk ik. Ik ken eigenlijk niemand die het leuk vindt om onderdrukt te worden. U wel ? Ik weet niet of het gaat om schadevergoeding. Ik weet niet of het gaat om in mijn DNA te duiken en uit te zoeken of mijn overgrootvader een plantagehouder was. Ik denk dat het wél gaat om BEGRIJPEN.  Dat ijkt mij geen moeilijke opgave. En, misschien, heel misschien gaat van dat begrip een  wat soberder, nederiger en rustigere houding ten opzichte van de pijn en het verdriet van heel veel mensen uit.