MEEUWEN

Verwachtingen vliegen hoog en snel boven mijn hoofd als meeuwen over de zee de lucht is donker grijs bijna zwart hier en daar paars ze schreeuwen het klinkt schel en hard. ik kan ze niet bereiken, maar ik blijf er naar kijken. Zo ver weg zijn ze niet ,lijkt het maar dat optisch bedrog. ze zijn eigenlijk heel ver weg, en vee lte hoog, ik kan er niet bij. Het onrustige en snelle fascineert me, de rustvan de branding en de aardsheid van de zandkorrels is even fijn en prettig maar na een tijd wil ik rennen, zwemmen, vliegen, net als de meeuwen scheren over het strand. Is dat mijn eigen mindfuck? Kan ik op het strand blijven zitten en de korrels voelen in mijn handpalm en de zilte lucht opsnuiven. Ja dat kan. Wil ik dat. Ik weet het niet. Een onrust is een soort gewoonte geworden, net zo’n gewoonte als kijken naar een draaiende wastrommel of de dwangneurose om naar het centrale plekje te kijken op iemand’s nek als ik achter ze sta in de rij bij de supermarkt, of in de zomer, achter ze fiets. Is een gewoonte een van de moeilijkste dingen om af te leren? Ik denk het wel. Ik weet het eigenlijk wel zeker. Een cliché wat veiligheid en troost biedt, ook al is het meestal niet zo heel erg goed voor je. Maar wat als je de gewoonte doorbreekt of je leert hem af? Zijn we niet zo geconditioneerd dat we ons zelf dan meteen weer een nieuwe gewoonte aanleren? En waar staat dat die goed of slecht is? De meeuwen zijn lekker luidruchtig. Er is lucht, water, hun sterke en stoere vleugels en hun kijvende geluiden. De elementen omringen hen als zuurstof om ons heen. Ik doe mijn ogen dicht en leun een beetje naar achteren en begraaf mijn handen diep in het zand, en leun nog wat verder achter over, zodat het lijkt alsof ik weg zak een beetje in het strand, in het zand, in het aardse. Er komt iemand langs die het over een makelaar heeft. Een meisje wat mobiel aan het bellen is. Gillende kinderen. De geluiden ervaar ik als pijlen uit een boog of kogels uit een pistool. Nog een poging dan maar. Ik doe mijn ogen weer dicht en ga nu achter over liggen in het zand. Ik dwing mezelf bijna om me te focussen op het geluid van de zee, de golven, het water. De andere geluiden hoor ik nog wel, maar op den duur wordt het minder. Het begint harder te waaien. De meeste mensen draaien zich om en gaan richting auto, friteskraam of warme chocolademelk (al dan wel met of zonder slagroom). Ik haal nog een keer diep adem en negeer de dorst en honger en loop in de storm naar IJmuiden. Het is vijf uur als ik in de lege bus neerplof. Ik was even alleen met de elementen. Er was bijna niemand. Daar ben ik dankbaar voor. De buschauffeur, een oudere, denk Surinaamse of Antilliaanse man, kijkt me lachend aan. “Hee man, lekker gewandeld?” De dag begon in twijfel en eindigde in dankbaarheid.

The Vault: Ruth Rendell’s sequel to A Sight for Sore Eyes

Books to the Ceiling

  A Sight for Sore Eyes came out in 1999. It is a novel of psychological suspense, not a police procedural – Reg Wexford does not appear in the narrative. Sight features one of the most genuinely frightening characters I’ve ever encountered in a work of fiction. In the more than ten years since I read it, I have not forgotten his name: Teddy Brex.

  The Vault opens with Franklin Merton commenting that although he could afford to buy a particular house, he could not afford to purchase a painting of it. The painting he’s referring to is entitled Marc and Harriet in Orcadia Place. The painter was Simon Alpheton, an artist of considerable note at the time, that time being 1973.

A Sight for Sore Eyes opens with Simon Alpheton in the act of painting Marc Syre, star of the rock band Come Hither, and his girlfriend…

View original post 721 woorden meer

Voor Annie

Eén van de meest indringende en immer terugkerende herinneringen in mijn leven is de herinnering aan de gang van het tweede huis van mijn opa en oma aan de Walramstraat in Sittard. Specifiek de geur in die gang. Toen ik kleiner was, verdwaalde ik in de ongelooflijk grote tuin om het (eerste) statige huis van mijn opa en oma aan de Parklaan in diezelfde stad. Rondjes rennen, schommelen, appels rapen, lekker jezelf bang maken op de trap naar beneden, de kelder in, met die typische vochtige geur een mengsel van welhaast – wat zo leek – levende stenen, een spoor van oud wild wat er vroeger werd opgehangen om te besterven en iets, waar de ogen van een klein jongetje automatisch naar toe getrokken werden; schitterende grote ouderwetse blikken waar de heerlijkste zoetigheden, bakbenodigdheden en andere schatten in verborgen zaten. ‘Koek’ stond er op, geloof ik, en ‘Zoet’. Elk bezoek werd zo een kleine ontdekkingsreis. Ook in dat huis vond ik al, heel jong, dat mijn oma zo lekker rook. Dat is misschien een vreemde zin. Mijn oma tja, hoe zal ik het beschrijven, het is niet makkelijk om een geur of  een parfum uit te drukken in woorden, rook naar geborgenheid, onvoorwaardelijke liefde. Haar mantels en sjaals en zelfs handtassen en handschoenen ademden een mélange van citroencake, L’Air du Temps van Nina Ricci, Miss Helen lippenstift, Elnett hairspray en iets subtiel-zoets van haarzelf. De gang op de Walramstraat rook naar liefde. Naar familie. Naar geborgenheid. De kennis dat je jezelf misselijk ging eten en drinken aan twee glazen Cassis gemengd met twee volle handen winegums – tot mijn schaamte bekennende, dat het weckpotje winegums na ons bezoek vaak leeg achtergelaten werd. Het gekwetter en geschater in de gang als de familie ‘en troupe‘  de stad in ging, uit eten, carnaval of naar de kerk. Later, in mijn pubertijd, die niet altijd even makkelijk verliep, bezocht ik om de zoveel maanden mijn oma en ging ik logeren bij haar. Mijn opa leefde toen niet meer. Ik merkte dat wij elkaars gezelschap heel erg waardeerden, ook al was ik totaal kansloos als het ging om scrabble – waarbij mijn oma meestal een glaasje sherry en ik een glaasje vermouth nuttigde – en haar ongelooflijke kookkunsten en talent voor conversatie. Soms tiepte ik prologen van verhalen op de oude schrijfmachine van opa en bladerde urenlang door oude foto-albums. ’s Middags gingen we vaak wandelen om dan in het park de eendjes te voeren. ’s Ochtends haalde ik vlaai of brood bij Daniëls en ’s avonds naar haar favoriete Italiaan.  Voor mij waren die weekenden een heerlijke vlucht uit de realiteit van de middelbare school en onzekere en angstige momenten. Soms vroeg mijn oma of ik een plastic tasje of iets uit de keuken wilde pakken terwijl zij zich opmaakte en klaarmaakte om naar buiten te gaan. Dan keek ik stiekem naar haar in de deuropening. Hoedje, lippenstift, handtas. Een vast ritueel. Een ritueel wat op mijn netvlies staat gebrand. De wereld is vol luxe producten, onbetaalbare handtassen, lippenstiften en parfums. Het parfum van mijn oma, de terugkerende herinnering en haar liefde kan men nooit in een flacon vangen.

Djinn – Tofik Dibi

Robert Weijers

Vanaf het moment dat hij aan het politieke firmament verscheen, wist hij menigeen te fascineren: Tofik Dibi, fris, gedreven, Marokkaans-Nederlands en mediageniek. En nog homo ook, toch? Echt een aanwinst voor links-progressief Nederland, zou je denken. Hij kwam op, deed van zich spreken, kaartte belangrijke kwesties aan, maar leek na het vertrek van Femke Halsema en het Kunduz-besluit langzaam maar zeker uit koers te raken. Persoonlijk vond ik het pijnlijk te zien hoe krampachtig hij ontkende homo te zijn. Vervreemdend was ook de campagnetaal in de greep naar het leiderschap van GroenLinks. Bam! Van een rijzende ster was hij, in korte tijd, een gevallen ster geworden.

In de poëtische opening van zijn autobiografische boek Djinn, neemt Dibi ons mee in een mijmering over gevallen sterren, en geeft daarmee inzicht in zijn meest persoonlijke geheimen. Intrigerender dan de onthulling van het toch al wel publieke geheim van zijn homoseksualiteit, zijn de…

View original post 346 woorden meer

Dag Joost

Was het donker of licht

hadden woorden een gezicht

met lange scherpe witte tanden

bijtend en schreeuwend

stond er muziek op

was het klassiek of pop

heb je nog wat geschreven

kon dat niet

door het beven

sluimerend verlammend de angst is er nu niet meer

maar we zijn hier stil

en blaten cliché’s op social media

van het leven is zo teer

kwetsbaar en groot

voor velen een icoon een vriend een zielsgenoot

laat onze tranen

een beekje zijn wat een rustgevend kabbelend geluid maakt

Joost-Zwagerman-480

wat verdrietig maakt het ons

dat je bent afgehaakt

Overpeinzingen van een elfjarige denker deel 1: Kevin Illes over pesten

Reflecties van een Schorpioen

Mijn neefje Kevin Illes heeft een korte essay geschreven over mens zijn en pesten. Het is zo een treffend stuk dat ik met zijn toestemming het wil delen met jullie. Om zijn authenticiteit te beschermen is er niet gesleuteld aan zijn tekst:

Jij,ik, hij, zij, wij zijn allemaal een mens. Dat maakt ons zo speciaal, de mens is speciaal!!. Wees dankbaar voor jezelf en wees dankbaar voor  je vrienden, eten drinken, familie. Ieder mens heeft een ander karakter.

Iedereen heeft andere gevoelens, gedachtes, iedereen heeft een ander leven. Sommige mensen hebben een heel leuk leven maar, anderen  hebben ook een heel verdrietig of zwaar leven. Maar er is altijd wel iets speciaals aan diegene.

Als je vrienden hebt en je bent verdrietig of boos, doe dan iets met je vrienden. Ze maken je altijd blij. Doe iets: spelen, praten erover. Hou het niet voor jezelf, als je wordt gepest. Hou…

View original post 149 woorden meer

Trees

Er zwom nog maar éen goudvis in de kom. De motregen hield maar niet op. Een steunkous was afgegleden. Toen ze naar beneden kwam dacht ze dat ze de bel had gehoord en dat het tafeltje-dekje was. Misschien dachten ze dat ze niet thuis was. Met bibberende handen bewoog Trees de rollator voort door haar beige kamer. Het vloog haar aan, de eenzaamheid. Dan wilde ze niet geloven dat het hier en nu echt het hier en nu was. Dat Jan er nog was. Soms rook ze in het geniep aan de antimakassar want die rook nog een beetje naar zijn zachte haartjes, waar ze zo vaak vertederd naar had gekeken, op zijn achterhoofd.

Vanavond zou ze niet op haar kamer blijven. Ze zou met die rare vrouw met die paarse pruik gaan eten, die zichzelf Justine noemde. Justine zat altijd alleen tijdens het middageten. Als er een muzikale middag was stond Justine vooraan en zong dan prachtig mee met Bach, Amsterdamse smartlappen en psalmen.

Trees liep naar het raam, voetje voor voetje en dacht aan Jan. Ze dacht ook aan het draadjesvlees dat ze allebei zo lekker vonden vooral op zondag, en het kruiswoordpuzzel dat hij maakte tijdens hun vakanties in het huisje in Zeeland.

Later op de dag pakte ze de langspeeplaat van Rondo Veneziano uit de stoffige hoes en luisterde hem wel tien keer.

Als ze die muziek hoorde dacht ze aan Jan en draadjesvlees. Dan liep er een traan langs haar wang maar het was een traan van weemoedige vreugde en niet van pijn of verdriet.

Vanavond zou ze vragen aan Justine of ze een keer een glaasje sherry kwam drinken. Dan zou ze de langspeelplaat ook aan haar laten horen.